Wij werken met cookies om uw surfervaring te verbeteren
Ok Meer Info
  • Home
  • Aanbod
  • Diensten
  • Realisaties
  • Partners
  • Blog
  • Contact
  • © Pluviose 2018   |   Site by Plenso
    Privacy Statement - Cookie Statement - Voorwaarden

    Een paraplu, hoe lang bestaat dat al?

    Parastory

    De paraplu is een typisch voorbeeld van een gewoon, alledaags gebruiksvoorwerp. Hij is dermate ingeburgerd alsof hij altijd heeft bestaan. Toch is het pas sinds een paar honderd jaar dat de paraplu in zijn huidige vorm,aanvankelijk ambachtelijk nadien industrieel gemaakt, het straatbeeld tooit. De parasol stond model voor de paraplu. Bij de oude Chinese, Indische, Egyptische, Griekse en Romeinse beschavingen was de parasol symbool voor politieke en godsdienstige macht.


    Vijfduizend jaar geleden werd de parasol in China gebruikt om hoogwaardigheidsbekleders te beschermen tegen de zon. Het was tevens een godsdienstig en koninklijk symbool. Niemand heeft ooit de schoonheid van deze Oosterse parasols kunnen evenaren. Goud- en zilverwerk, gouden baleinen, met goud- of zilverdraad doorwerkte zijde, gesculpteerde ivoren handvatten met lederen franje. Unieke kunstvoorwerpen.

    Drieduizend jaar geleden gebruikten de Egyptenaren de parasol om farao's en hogepriesters tijdens religieuze plechtigheden te beschermen tegen de brandende zon. De Romeinen namen het idee over. Ook in het oude Griekenland werd de parasol gebruikt. Rijke Griekse vrouwen paradeerden met prachtige parasols versierd met franjes. Het waren de voorlopers van hoeden met een voile, waardoor de vrouwen iedereen konden bekijken zonder zelf bekeken te worden.De parasol is dus heel wat ouder dan de paraplu. Het is evenwel zeer moeilijk het juiste tijdstip te achterhalen waarop beide attributen bij ons de kop opstaken.

    De paraplus is zeer lang het zwakke broertje geweest van de elegante, dure parasol. De blanken vreesden lange tijd meer de zon dan de regen. Regen was niet erg. Zonnestralen wel. Ze moesten zich ertegen beschermen om hun blanke huid te behouden, wat stond voor klasse en rijkdom. Rijken hadden een blanke huid omdat ze niet op het land werkten. Werkmensen hadden een gebruinde huid door de lange uren die ze doorbrachten op het veld of op zee. Het idee zichzelf tegen de regen te beschermen was iets dat de rijken niet bezighield. Ze verplaatsten zich steeds per koets of draagstoel. In West-Europa getuigden schilders van wat tot het eind van de 18de eeuw de parasol was die werd gedragen door dienaars. Hij werd dagelijks gebruikt door koningen en hoge functionarissen.

    Ook het gewone volk had er geen behoefte aan zich tegen de regen te beschermen. Hun kleren waren gemaakt uit stevige stof die min of meer bestand was tegen de regen. Enkel herders hadden een zeer grote katoenenparaplu met een houten frame. In Italië behoorde de parasol, rond de 16de eeuw, tot de garderobe van de elegante edelvrouwen. Hoewel men in die tijd meer de zon dan de regen vreesde, waren er in het Frankrijk van Lodewijk XIII rond 1637, al een soort voorlopers van de paraplu's die overtrokken waren met geoliede stof in zijde, linnen of katoen.Andere middelen om de stoffen waterbestendig te maken, waren lak of gesmolten was. Bij veelvuldig gebruik vertoonden die evenwel barsten. Uiteindelijk werd de paraplu officieel "uitgevonden" aan het begin van de 18de eeuw. Rond 1710 ontwierp de Fransman Jean Marius een parasol-paraplu die je kon plooien en op zak steken.

    Marius had meteen de voorloper van de huidige plooibare paraplu's uitgevonden. De Fransen gebruikten de termen paraplu en parasol vaak door elkaar omdat beide dingen zowel tegen regen als zon beschermden. Een linguistiek probleem dat rond 1760 werd opgelost toen beide termen officieel en wettelijk werden vastgelegd. Dat was nodig want de paraplu's van het einde van de 18de eeuw waren door hun gewicht en hun afmetingen, nauwelijks te onderscheiden van de parasols die door dienaren werden gedragen om hun heer of dame te beschermen. De paraplu hield men onder de arm, in een lederen koker. De paraplu had bovendien een lange koperen taats (top, uiteinde) wat hem nog zwaarder maakte. In die tijd woog het geheel zo'n twee kilogram en was twee meter lang. Een verklaring wellicht waarom het gebruik ervan beperkt bleef en voorbehouden was voor enkele bevoorrechten die de paraplu door dienaren lieten dragen om zichzelf niet te vermoeien.

    Rond 1760 kwam ook iemand op het idee een canne-parapluie (wandelstok-paraplu) te maken. Door een druk op een veer kwam uit de wandelstok een paraplu te voorschijn. Ook vandaag zijn zo'n exemplaren nog steeds in zwang. In Engeland bleef de paraplu verwijfd staan. "Een belachelijk voorwerp voor rijkelui", vond men. De enige mannen die, zonder uitgelachen te worden, een paraplu gebruikten waren dokters en geestelijken die voor hun werkzaamheden (huisbezoeken) vaak door de regen moesten. Paraplu's werden aan de uitgang van café's ter beschikking gesteld van de klanten om tot aan hun koets te gaan Maar nog altijd werd het ding niet echt aanvaard in Engeland in tegenstelling tot Frankrijk. Enkel de Londenaar John Hanway trok zich niets aan van het gelach van zijn tijdgenoten en gebruikte steevast een paraplu die hij uit Perzië had meegenomen. Hanway was ook de pionier van de betaalbare "draagbare paraplu".

    De beroemdste man uit die tijd met een paraplu was een romanfiguur. In "Robinson Crusoe" uit 1719, beschreef Daniel Defoe hoe zijn held een parasol-paraplu maakte zoals hij er had gezien in Brazilië, waar hij gebruikt werd als bescherming tegen de hitte. Een tijd lang werd de paraplu dan ook een robinson genoemd, naar het romanpersonage. Pas vanaf de 19de eeuw werd het gebruik algemener. Ook bij mannen. Die hadden opvouwbare paraplu's die in een mannenhand pasten. Deze kleine herenparaplu's waren even populair als de grote Engelse "gigumbrella" met een scherm uit zwart of groen katoen. Naast deze twee basiskleuren kwamen rood, bruin en blauw ook voor. De gigumbrella's waren stevig en hadden een lange levensduur. Sommige hadden ventilatiedopjes om ervoor te zorgen dat de paraplu niet binnenste-buiten keerde bij hevige wind. Dit type werd ook bewaard in de inkomhal van herenhuizen.

    De huisbedienden hielden ze boven de hoofden van de gasten of de heer of  vrouw des huizes die in of uit hun koets stapten. De gigumbrella was de voorloper van wat we nu als de golfparaplu kennen. Vanaf de 19de eeuw werden goedkopere materialen gebruikt om paraplu's te fabriceren zodat ze door zowat iedereen konden worden gekocht. Ook kinderen, arbeiders en dienstpersoneel leken nu plots recht te hebben op hun paraplu. Het succes van de paraplu leidde tot de uitvinding van een nieuw meubelstuk: de paraplubak die ervoor zorgt dat de paraplu kan uitdruipen zonder dat de vloer  nat wordt. 

    Maar de paraplu kreeg ook concurrentie van de regenmantel. Nu nog  verkiezen sommigen waterproofkledij boven de paraplu. In Europa gebruiken oudere vrouwen nog steeds een regenkapje, een plastic kapje dat ze om hun  hoofd binden. Niet erg elegant, maar wel stukken goedkoper. Aan het begin van de 20ste eeuw werd de paraplu nog vaak als iets lachwekkends beschouwd.

    Voor de eerste wereldoorlog was de paraplu slechts een banaal gebruiksvoorwerp, zonder esthetische waarde. Voor mannen stond het niet een paraplu te gebruiken: regenmantels en speciale hoeden moesten de paraplu vervangen. Mannen zouden toch maar een paraplu verliezen. Gedurende de depressie van de jaren '30 en tot lang na de tweede wereldoorlog zagen paraplufabrikanten zich genoodzaakt goedkopere materialen te gebruiken. Paraplu's kregen houten handvatten en overtrekken uit katoen of tafzijde. Dit kwam omdat men na de oorlog moeilijk aan duurdere materialen kon geraken en omdat men zich geen duurdere materialen kon veroorloven. Geleidelijk kreeg de paraplu evenwel franjes mee van de parasol. Na WO II ontstonden ook de meeste paraplusoorten zoals de chamberlain tot de paraplu als echt kunstwerk. De evolutie in levensstijl, vooral van de vrouw, de technische vooruitgang en de fabricatie zwengelden de belangstelling voor regenschermen aan.

    Mode-ontwerpers en modebladen toonden interesse voor de paraplu als accessoire. Het signaal voor fabrikanten om meer aandacht te besteden aan het esthetisch en technisch aspect, zodat het ding ook handiger werd. In de jaren vijftig kregen de meeste paraplu's, ongeacht het type, fourreau's (hoezen) die aangepast waren aan de stof van de overtrek. Die foedralen waren zo strak mogelijk gespannen over de paraplu om deze een slank uitzicht te geven. Vandaag hebben de meeste plooibare exemplaren nog altijd een hoes. Lange paraplu's daarentegen niet meer. Vanaf de jaren zestig, toen steeds meer synthetische stoffen werden gebruikt, kende de paraplu-industrie een enorme bloei. Tegenwoordig moet vooral de Europese industrie opboksen tegen massaproductie van het Verre Oosten

    De paraplu is een typisch voorbeeld van een gewoon, alledaags gebruiksvoorwerp. Hij is dermate ingeburgerd alsof hij altijd heeft bestaan. Toch is het pas sinds een paar honderd jaar dat de paraplu in zijn huidige vorm,aanvankelijk ambachtelijk nadien industrieel gemaakt, het straatbeeld tooit. De parasol stond model voor de paraplu. Bij de oude Chinese, Indische, Egyptische, Griekse en Romeinse beschavingen was de parasol symbool voor politieke en godsdienstige macht.
     


    Vijfduizend jaar geleden werd de parasol in China gebruikt om hoogwaardigheidsbekleders te beschermen tegen de zon. Het was tevens een godsdienstig en koninklijk symbool. Niemand heeft ooit de schoonheid van deze Oosterse parasols kunnen evenaren. Goud- en zilverwerk, gouden baleinen, met goud- of zilverdraad doorwerkte zijde, gesculpteerde ivoren handvatten met lederen franje. Unieke kunstvoorwerpen.

    Drieduizend jaar geleden gebruikten de Egyptenaren de parasol om farao's en hogepriesters tijdens religieuze plechtigheden te beschermen tegen de brandende zon. De Romeinen namen het idee over. Ook in het oude Griekenland werd de parasol gebruikt. Rijke Griekse vrouwen paradeerden met prachtige parasols versierd met franjes. Het waren de voorlopers van hoeden met een voile, waardoor de vrouwen iedereen konden bekijken zonder zelf bekeken te worden.De parasol is dus heel wat ouder dan de paraplu. Het is evenwel zeer moeilijk het juiste tijdstip te achterhalen waarop beide attributen bij ons de kop opstaken.

    De paraplus is zeer lang het zwakke broertje geweest van de elegante, dure parasol. De blanken vreesden lange tijd meer de zon dan de regen. Regen was niet erg. Zonnestralen wel. Ze moesten zich ertegen beschermen om hun blanke huid te behouden, wat stond voor klasse en rijkdom. Rijken hadden een blanke huid omdat ze niet op het land werkten. Werkmensen hadden een gebruinde huid door de lange uren die ze doorbrachten op het veld of op zee. Het idee zichzelf tegen de regen te beschermen was iets dat de rijken niet bezighield. Ze verplaatsten zich steeds per koets of draagstoel. In West-Europa getuigden schilders van wat tot het eind van de 18de eeuw de parasol was die werd gedragen door dienaars. Hij werd dagelijks gebruikt door koningen en hoge functionarissen.

    Ook het gewone volk had er geen behoefte aan zich tegen de regen te beschermen. Hun kleren waren gemaakt uit stevige stof die min of meer bestand was tegen de regen. Enkel herders hadden een zeer grote katoenenparaplu met een houten frame. In Italië behoorde de parasol, rond de 16de eeuw, tot de garderobe van de elegante edelvrouwen. Hoewel men in die tijd meer de zon dan de regen vreesde, waren er in het Frankrijk van Lodewijk XIII rond 1637, al een soort voorlopers van de paraplu's die overtrokken waren met geoliede stof in zijde, linnen of katoen.Andere middelen om de stoffen waterbestendig te maken, waren lak of gesmolten was. Bij veelvuldig gebruik vertoonden die evenwel barsten. Uiteindelijk werd de paraplu officieel "uitgevonden" aan het begin van de 18de eeuw. Rond 1710 ontwierp de Fransman Jean Marius een parasol-paraplu die je kon plooien en op zak steken.

    Marius had meteen de voorloper van de huidige plooibare paraplu's uitgevonden. De Fransen gebruikten de termen paraplu en parasol vaak door elkaar omdat beide dingen zowel tegen regen als zon beschermden. Een linguistiek probleem dat rond 1760 werd opgelost toen beide termen officieel en wettelijk werden vastgelegd. Dat was nodig want de paraplu's van het einde van de 18de eeuw waren door hun gewicht en hun afmetingen, nauwelijks te onderscheiden van de parasols die door dienaren werden gedragen om hun heer of dame te beschermen. De paraplu hield men onder de arm, in een lederen koker. De paraplu had bovendien een lange koperen taats (top, uiteinde) wat hem nog zwaarder maakte. In die tijd woog het geheel zo'n twee kilogram en was twee meter lang. Een verklaring wellicht waarom het gebruik ervan beperkt bleef en voorbehouden was voor enkele bevoorrechten die de paraplu door dienaren lieten dragen om zichzelf niet te vermoeien.

    Rond 1760 kwam ook iemand op het idee een canne-parapluie (wandelstok-paraplu) te maken. Door een druk op een veer kwam uit de wandelstok een paraplu te voorschijn. Ook vandaag zijn zo'n exemplaren nog steeds in zwang. In Engeland bleef de paraplu verwijfd staan. "Een belachelijk voorwerp voor rijkelui", vond men. De enige mannen die, zonder uitgelachen te worden, een paraplu gebruikten waren dokters en geestelijken die voor hun werkzaamheden (huisbezoeken) vaak door de regen moesten. Paraplu's werden aan de uitgang van café's ter beschikking gesteld van de klanten om tot aan hun koets te gaan Maar nog altijd werd het ding niet echt aanvaard in Engeland in tegenstelling tot Frankrijk. Enkel de Londenaar John Hanway trok zich niets aan van het gelach van zijn tijdgenoten en gebruikte steevast een paraplu die hij uit Perzië had meegenomen. Hanway was ook de pionier van de betaalbare "draagbare paraplu".

    De beroemdste man uit die tijd met een paraplu was een romanfiguur. In "Robinson Crusoe" uit 1719, beschreef Daniel Defoe hoe zijn held een parasol-paraplu maakte zoals hij er had gezien in Brazilië, waar hij gebruikt werd als bescherming tegen de hitte. Een tijd lang werd de paraplu dan ook een robinson genoemd, naar het romanpersonage. Pas vanaf de 19de eeuw werd het gebruik algemener. Ook bij mannen. Die hadden opvouwbare paraplu's die in een mannenhand pasten. Deze kleine herenparaplu's waren even populair als de grote Engelse "gigumbrella" met een scherm uit zwart of groen katoen. Naast deze twee basiskleuren kwamen rood, bruin en blauw ook voor. De gigumbrella's waren stevig en hadden een lange levensduur. Sommige hadden ventilatiedopjes om ervoor te zorgen dat de paraplu niet binnenste-buiten keerde bij hevige wind. Dit type werd ook bewaard in de inkomhal van herenhuizen.

    De huisbedienden hielden ze boven de hoofden van de gasten of de heer of  vrouw des huizes die in of uit hun koets stapten. De gigumbrella was de voorloper van wat we nu als de golfparaplu kennen. Vanaf de 19de eeuw werden goedkopere materialen gebruikt om paraplu's te fabriceren zodat ze door zowat iedereen konden worden gekocht. Ook kinderen, arbeiders en dienstpersoneel leken nu plots recht te hebben op hun paraplu. Het succes van de paraplu leidde tot de uitvinding van een nieuw meubelstuk: de paraplubak die ervoor zorgt dat de paraplu kan uitdruipen zonder dat de vloer  nat wordt. 

    Maar de paraplu kreeg ook concurrentie van de regenmantel. Nu nog  verkiezen sommigen waterproofkledij boven de paraplu. In Europa gebruiken oudere vrouwen nog steeds een regenkapje, een plastic kapje dat ze om hun  hoofd binden. Niet erg elegant, maar wel stukken goedkoper. Aan het begin van de 20ste eeuw werd de paraplu nog vaak als iets lachwekkends beschouwd.

    Voor de eerste wereldoorlog was de paraplu slechts een banaal gebruiksvoorwerp, zonder esthetische waarde. Voor mannen stond het niet een paraplu te gebruiken: regenmantels en speciale hoeden moesten de paraplu vervangen. Mannen zouden toch maar een paraplu verliezen. Gedurende de depressie van de jaren '30 en tot lang na de tweede wereldoorlog zagen paraplufabrikanten zich genoodzaakt goedkopere materialen te gebruiken. Paraplu's kregen houten handvatten en overtrekken uit katoen of tafzijde. Dit kwam omdat men na de oorlog moeilijk aan duurdere materialen kon geraken en omdat men zich geen duurdere materialen kon veroorloven. Geleidelijk kreeg de paraplu evenwel franjes mee van de parasol. Na WO II ontstonden ook de meeste paraplusoorten zoals de chamberlain tot de paraplu als echt kunstwerk. De evolutie in levensstijl, vooral van de vrouw, de technische vooruitgang en de fabricatie zwengelden de belangstelling voor regenschermen aan.

    Mode-ontwerpers en modebladen toonden interesse voor de paraplu als accessoire. Het signaal voor fabrikanten om meer aandacht te besteden aan het esthetisch en technisch aspect, zodat het ding ook handiger werd. In de jaren vijftig kregen de meeste paraplu's, ongeacht het type, fourreau's (hoezen) die aangepast waren aan de stof van de overtrek. Die foedralen waren zo strak mogelijk gespannen over de paraplu om deze een slank uitzicht te geven. Vandaag hebben de meeste plooibare exemplaren nog altijd een hoes. Lange paraplu's daarentegen niet meer. Vanaf de jaren zestig, toen steeds meer synthetische stoffen werden gebruikt, kende de paraplu-industrie een enorme bloei. Tegenwoordig moet vooral de Europese industrie opboksen tegen massaproductie van het Verre Oosten.

     

    Producent van wandelstokken & paraplu's